In plaats van richting het noorden kan je natuurlijk ook naar het oosten rijden en dat vond ik zelfs nog een mooiere omgeving dan het wat dor aandoende westen. Daarnaast hadden we ook het weer heel erg mee.
Onze bestemming voor zondag was Vík. Ik had het idee dat dit een vissersdorp was, maar er is geen haven, hoewel het aan zee ligt. We reden nog net iets verder waar het groen plaatsmaakte voor zwart en geen boom meer te bekennen was.
Ik weet niet of het weertype hier erg karakteristiek is voor de omgeving, maar ik vraag me serieus af waarom mensen in Vík wonen en wat ze er in hemelsnaam doen. Er is namelijk niets anders dan rotsen en grasvelden. Ik kan me bijna niet voorstellen dat iedereen hier in de wolindustrie zit.
Goed, we gingen op weg dus. Onderweg kom je paarden en schapen tegen die over de weg lopen.
Voorzichtig zijn, als je er een aanrijdt heb je schade aan je auto en een schaap.
Naast levende natuur is er ook levenloos natuurschoon, zoals watervallen. Een hele hoop.
Seljalandsfoss, waar je achter door kunt lopen (en waar je dan kletsnat uit komt)
Skógarfoss, mét regenboog
Vóór Vík is alles groen en mooi, ná Vík: Compleet lege landschappen met tot aan de horizon zwart zand, aangespoeld door de gletscher-rivieren en door overstromingen na vulkaanuitbarstingen.
Dit was het punt waarop we vonden dat we ver genoeg van huis waren en we terugreden. We stopten nu in Vík in de hoop iets van leven te ontdekken, maar meer dan wat verdwaalde toeristen en Vínbúð-klanten kwamen we niet tegen op deze zondag.
Rotsformaties net buiten de kust van Vík
Op de terugweg reden we Dýrhólaey op, een vulkanisch eiland aan de kust, vooral bekend door een boog die ik niet op de foto heb. Wel een andere van interessant gevormd vulkaan-gesteente:
Verschillende soorten lava liggen hier over elkaar heen. Verschillende uitbarstingen resulteren in verschillende typen lava.
Zo lijken het net los gestapelde stenen, maar het is één blok steen.
Nog een derde soort lava, deze was duidelijk heel vloeibaar.